Een week gaat voorbij, waarin Ares en ik ons in de menigte begeven. We krijgen veel verhalen te horen en leren veel over het leven buiten het Bestuur en de Titaan. Mensen hebben hier wel de kracht om te overleven, maar niet de materialen. Ze hebben al wel vaker problemen gehad met voedsel. Iedereen hier heeft haat jegens het Bestuur, maar ook iedereen heeft nog geliefden daar zitten, die nog niet besmet zijn met de ziekte. Soms mogen Ares en ik op bezoek bij de mensen die al helemaal door de ziekte zijn overgenomen. Ik heb daar na een aantal keer al genoeg van, omdat het me nou niet een geweldige toekomst lijkt, en ik wel zo zal worden.

Ares en ik groeien langzaamaan uit elkaar en we doen vaker dingen apart. Ik weet niet hoe ik me daarover moet voelen, want het is op een bepaald punt wel beter. Hij moet me in de gaten houden, maar het is niet handig als hij daarmee ook nog gevoelens voor mij heeft. Ik wil dingen tegen hem zeggen die niet mogen, maar ik zeg ze niet en dat is de reden dat we uit elkaar vallen. Ik vind het jammer, maar begrijpelijk.

De meest merkwaardige verhalen die ik tot nu toe heb gehoord, zijn toch wel de verhalen die met het Bestuur te maken hebben. Een van de verhalen wordt verteld door een oude vrouw, wiens ogen veel tranen hebben laten vallen. Haar hele familie is uitgeroeid door het Bestuur, omdat ze de geheimen over het "medicijn" dat je immuun zou moeten maken, aan haar familie doorvertelde. Zelf is ze dus door het Bestuur in leven gehouden, tegen beter weten in. Ze hield op met het medicijn nemen en kreeg de ziekte, waarna ze hiernaartoe werd gestuurd, door haar eigen vrienden.

Een ander verhaal is van een jonger meisje, rond de veertien jaar oud. Ze verteld me hoe haar ouders haar en haar zussen van de ziekte probeerden te beschermen, maar door het werk wat ze deden, kregen ze zelf de ziekte. Toen de ouders daarachter kwamen, was het al te laat en had de hele familie de ziekte. Zonder dat de zussen het aan zagen komen, pleegden de ouders zelfmoord. In het ziekenhuis kwamen ze erachter dat ze de ziekte hadden, maar toen hadden ze hun ouders al dood gezien. Het meisje dat het verhaal vertelde had niet alleen de ziekte, maar was ook gediagnosticeerd met een depressie. Ze konden haar niet wegsturen zonder pillen, maar tegenwoordig waren alle pillen al op en had ze er immens last van.

Ares kwam 's avonds toen ik niet kon slapen nog aan met verhalen die hij had gehoord; ouders wiens kinderen gedood waren, kinderen wiens ouders, wezen, familieloze mensen. Iedereen in het gebouw waar we ons bevonden had wel een vorm van leed beleefd. Ik moest denken aan mijn eigen achtergrond en besefte me dat ik een best wel goed leven had geleid, vergeleken met de mensen hier. Natuurlijk was hier veel leed, er waren hier veel mensen gestorven. Dat was ook de reden dat ik de ziekte zou krijgen en dat we het Bestuur plat zouden leggen.

De dag van het vertrek breekt aan. Bij deze zou ik de ziekte wel moeten hebben; ik had lepels afgelikt, mensen omhelsd en nog veel meer mogelijkheden om de ziekte te krijgen en als ik hem nu nog niet heb, ben ik immuun en dat is nog niet eerder voorgekomen op de wereld. Ares maakt onze tassen klaar voor vertrek, terwijl ik de mensenmenigte langsga en mensen bedank, vaarwel zeg en moed in spreek. We zullen contact houden, als we eindelijk het Bestuur hebben vernietigd.

Rond het middaguur hebben Ares en ik iedereen gehad en zwaaien Konnor en Maria ons uit terwijl we ons in de wijde wereld wagen. De zandbanken herinneren me er weer aan dat we op een missie zijn en dat dit alleen maar het 'speelkwartiertje' is geweest - nu komt het echte werk. Ik heb nog niets van de ziekte gemerkt, maar nu wel dat ik de hele week niet heb gerend of enige andere vorm van sport heb beoefend. Mijn conditie is duidelijk achteruit gegaan en ik baal ervan. Het kost me meer moeite om Ares bij te houden, maar ook hij heeft er last van.

We besluiten op de open vlakte te gaan slapen en morgen verder te rennen. Ik plof neer op het zachte zand en eet wat van het kostbare eten dat de mensen ons hebben meegegeven als een laatste geschenk - alsof ze al niet genoeg hebben gedaan. De kille koudheid van de nacht daalt op ons neer, maar ik laat er niets van merken, bang voor de gevolgen. De laatste keer dat we zo zaten, zit nog vers in mijn geheugen. Toen was ik nog niet ziek, toen kon ik Ares nog omhelzen en kussen, maar nu is dat onmogelijk. Hij moet er ook aan denken, want ik merk dat zijn blik op mij doelt. Toch durf ik hem niet aan te kijken, misschien zullen we ons dan niet in kunnen houden. Ik ben dodelijk en hij zou zo snel bezwijken onder de ziekte. Ik heb hem hierbij nodig, misschien zal ik het anders niet halen.

VirusLees dit verhaal GRATIS!