Hoofdstuk 1: Het water

41 1 0
                                        

Het was een wirwar van takken. Overal waar hij keek werd hij ingesloten. Hij kon niet terug, hij kon niet verder, maar ze kwamen ook niet dichterbij. De jongen in het midden draaide. Hij draaide tot hij duizelig werd, maar zitten of vallen kon hij niet. Hij haalde zijn hand door zijn haar, maar voelde niks. De jongen bekeek zichzelf en schreeuwde, maar de pijn en het geluid bleven uit.

-

Ik werd wakker op het strand. Het zonlicht scheen fel en de golven braken tegen mijn voeten. Ik had mijn wetsuite nog aan, maar het was helemaal verscheurd. Mijn rechterbeen was niet meer bedekt en ook in mijn zij zat een grote scheur. Hoe erg ik het ook probeerde, ik kon me niet meer herrineren waarom ik hier was.

Terwijl ik opstond deden mijn ledematen pijn. Ik strompelde richting de duinen. Ik herkende de trap en liep omhoog. Als ik me nou maar kon herrineren waar mijn spullen waren... Een vrouw met een hond kwam op me af lopen.
'Hey!' Het kwam er fluisterend uit. Mijn stem was rauw en deed pijn. Ik kuchde eens en zwaaide met mijn armen. 'Hoelaat is het?' Vroeg ik zachtjes.

Ik wist niet eens welke dag het was realiseerde ik me. De vrouw negeerde me volledig, alleen haar hond keek heel kort mijn richting op. Lekker dan, dacht ik. Mijn blootte voeten deden pijn op het schelpjespad naar beneden. Na een wandeling van een eeuwigheid kwam ik eindelijk aan bij een verharde weg. Het kwam me allemaal bekend voor, maar het was alsnog heel ver weg.

In de verte hoor ik auto's. Een bus! Ik moet thuis zien te komen. Ik had wel eens zwart gereden, maar toen viel ik veel minder op. Nu in een gescheurde wetsuite zou ik opgetwijfeld gepakt worden. Eindelijk kwam ik een bushalte tegen. Ik probeerde er nonchalant uit te zien, maar de eerste twee bussen reden me voorbij. Heb ik dat weer.

Er kwam een man naast me staan, maar die keek me niet aan. Hij schonk niet eens de geringste aandacht aan mij. Toen stopte er eindelijk een bus en ik drukte op de knop van de laatste deur, zover mogelijk van de chaffeur vandaan. Een meisje en haar moeder keken vreemd naar me, ik hoorde een van hen iets over 'kapot' fluisteren.
No shit, sherlock, dat zie ik zelf ook wel. Maar toch bedekte ik het gapende gat in mijn zij met mijn arm.

De bestemming en tijd wisselde zich af. Het was 08.24. Toen ik was uitgestapt was ik de halte alweer vergeten, maar de gebouwen leken enigzins bekend. Ik liep door tot ik een speeltuintje tegenkwam. Daar speelde ik vroeger altijd en later sprak ik hier af met mijn vrienden. Het kleine wipwappende paardje en het iets grotere huisje met glijbaan stonden er nu maar uitgestorven bij.

Ik liep blind naar huis, zonder echt de weg te weten. Ik probeerde de voordeur, maar die zat natuurlijk op slot. Na meerdere malen te hebben aangebeld gaf ik het op. Ik ging wel via achter, waarschijnlijk waren mijn ouders aan het werk? Omdat ook de schutting dichtzat, klom ik er maar over. Het ding rammelde ontzettend, maar gelukkig was er niemand in de buurt. Dadelijk belde er nog iemand de politie! Ik probeerde nog even de achterdeur, maar helaas.

Ik herrinerde me een sleutel onder één van de potten en begon mijn zoektocht. Eindelijk had ik de sleutel gevonden. Ik rende de trap op naar mijn kamer toe. Er was inderdaad niemand thuis. Ik griste wat kleren mee, eerst douchen, dan antwoorden.

Between WorldsTahanan ng mga kuwento. Tumuklas ngayon