Ik kan niet stoppen, maar ik weet ook niet of ik wil stoppen. Natuurlijk, eigenlijk zou ik niet aan mensen gehecht moeten worden in mijn situatie, maar al de redenen om te stoppen met zoenen vervagen op de achtergrond. Ik weet niet of ik ooit zo dicht bij iemand ben geweest, maar ik schaam me er niet voor en ik zou me er ook nooit voor willen schamen. Ares, dit al-les, het voelt goed, het voelt vertrouwd.

Ik glimlach tegen zijn lippen aan en hij glimlacht terug. Hij trekt zich even terug en bekijkt me. Dat is het moment dat ik begin te twijfelen. Niet of dit alles wel goed is, ik weet dat het slecht is om aan mensen gehecht te raken, maar daar heb ik geen keuze over. Ik kan mijn emoties slecht beheren, daar ben ik de laatste tijd wel achter gekomen. Ik twijfel alleen over hoe ik eruit zie. Ik heb net een aantal kilometer gerend, dus moet mijn haar vol zand zitten en daar-door weer verwoest; ik heb gehuild, dus mijn gezicht moet er ook niet helemaal geweldig uitzien en, nou ja, mijn natuurlijke charme is ook niet zo hoog.

‘Je bent mooi,’ glimlacht hij, ik kan niet anders dan me bekeken voelen. Zoenen is eigenlijk niets nieuws voor me; ik heb vriendjes gehad toen ik nog in het bestuur woonde, en toen ging alles tamelijk snel. Bovendien verwachtte ik veel van de liefde, dus vond ik het niet erg om met jongens om te gaan die een stuk ouder waren dan ik.

‘Heb jij eigenlijk ooit een vriendinnetje gehad?’ vraag ik, mijn gedachten nagevend. ‘Of zelfs gezoend?’

‘Hm,’ denkt Ares grappend na. ‘Ja, natuurlijk. Gezoend, ja…’ Natuurlijk, hij heeft langer de tijd gehad. Hier in de Titaan is liefde een onbelangrijke zaak. We zijn niet uit op voortplanten en daar is liefde uiteindelijk voor gemaakt. Bovendien doen wij alleen maar dingen die ons vooruit zullen brengen. ‘Jij?’

‘Ik ook.’

‘Maar je was twaalf toen je hier kwam, hoe kan dat?’ Ares kijkt verward en ik laat eerst mijn wijsvinger over de frons in zijn voorhoofd glijden, voordat ik antwoordt.

‘Ik verwachtte veel te veel van de liefde, te snel begonnen en met te oude jongens.’ Het is niet iets waar ik trots op ben – eerder beschamend. De jongens waarmee ik omging waren niet eens aardig, noch respecterend. Als ik iets fout deed, werd het op zij geschoven als een vrouwenactie.

‘Oh,’ zegt Ares en ik voel het bloed naar mijn wangen stijgen; ik weet dat het niet iets is wat iemand van mij zou verwachten. ‘Goed dan, laten we maar gaan kijken hoe het met de we-reld gaat.’ In mijn buik ontstaat een drukkende angst, die zich over mijn lichaam verspreid. Hij pakt mijn hand vast als hij opstaat en help mij met omhoog komen. Hand in hand lopen we naar het Overleg toe. Ik weet niet hoeveel tijd er verstreken is, terwijl wij hier zaten, dat ik aan het huilen was, dat Ares me zoende. Ik voel zijn lippen nog steeds op die van mij.

We lopen de plek van de Leiders binnen. Sommige mensen zijn in een lichte discussie; vooraan in de ruimte staan Gerco en Wouter, ik kan niet verstaan waar ze het over hebben, niet van zo ver, maar ik kan zien aan Wouter’s gezicht dat het iets serieus is. Meteen vliegt er weer een angst over mijn lichaam heen, wie weet wat er is gebeurd met Benjamin. Misschien is het hem zelfs wel gelukt om terug naar de Titaan te komen. Wat zou er gebeuren als hij terug zou komen, behalve dan dat Ares een grote moordaanslag zou proberen?

Ares neemt me mee naar Gerco en Wouter. Ik besef me nu pas dat fluisteren een eigen-schap is van de Leiders. Wouter is vaak stil tijdens het eten en als hij praat, praat hij op een zachte toon. Het is iets wat ik altijd zou kunnen zien, maar dat ik in de onnodige momenten opmerk. ‘Is er nog nieuws?’ vraagt Ares, als we bij de twee mannen aankijken. Wouter laat zijn blik over mij heen vallen en blijft haken bij onze verstrengelde handen. Zijn gezichtsuit-drukking veranderd even naar verrast, maar hij grijnst dan.

‘Ja,’ zegt Gerco, ‘niets over Benjamin, maar dingen over de Zwervers en de Wezen. De in-specteuren zijn teruggeroepen naar hun thuisbasis en ze hebben een overleg gehad.’  Ik kijk Wouter aan, maar er valt niets uit zijn gezichtsuitdrukking op te merken. ‘De Zwervers willen wel met ons mee vechten en ze zijn nu bezig met een leger op te zetten en te trainen, de Wezen willen liever niet in problemen komen, maar zullen halverwege de oorlog kijken hoe het gaat aan onze kant en zullen ons dan misschien nog helpen.’

VirusLees dit verhaal GRATIS!