10

517 39 12

Ik ren de Titaan binnen, mijn adem versnelt met elke stap die ik neem. Ik weet dat met elk woord dat ik zeg, ik in tranen uit kan barsten. Ik heb hem achtergelaten, half dood leeg laten bloeden. Als hij sterft is het mijn schuld. Ik bijt op mijn tong als ik mijn naam zeg, waardoor ik een beetje slis. Als ik binnen ben gekomen, proef ik de ijzerachtige smaak van bloed. Ik loop direct door naar de Verzameling, waar ik mijn tas laat vallen. Vermannen, dat is wat ik moet doen, maar mijn adem verraad al dat ik zenuwachtig of verdrietig ben. Ik stop alle spullen in de juiste schappen en laat het gevoel van leegte me overspoelen. De angst, het verdriet, het ongeloof. Benjamin heeft werkelijk al die tijd onze vriendschap gespeeld; hij heeft de hele tijd gedacht dat ik een spion voor het Bestuur was. Ik dacht dat ik alles van hem wist, maar nu ik er zo op terugkijk, kan ook dat allemaal bij elkaar gelogen zijn. Ik val neer op de stoel en duw mijn handen in mijn haar. Als ik niet goed oplet, ga ik nog eens hyperventileren. De andere Jagers zullen hier nog lang niet zijn – ik ben veel te vroeg ‘thuis’. Door Benjamin begin ik aan alles te twijfelen, misschien hebben mijn ouders wel iets met me gedaan waardoor ik wel voor ze spioneer, misschien ben ik wel niet mezelf, misschien is alles wat ik nu denk wel een programma.

Rust, zo kan ik niet denken, als wat ik denk een programma is, dan is dat maar zo, dan is het iemands doel om me gek te maken, maar dan zou ik me daar niet tegen kunnen verzetten. Het heeft geen nut om zo ver te denken, ik moet nu eerst naar Gerco om hem over Benjamin te vertellen. Ik sta op, haal een hand door mijn haar om het enig fatsoenlijk eruit te laten zien. Dan duw ik de armoedig ogende deur open en loop ik de gang op. Ik weet dat ik Gerco bij de andere Leiders kan vinden, dus weet ik mezelf naar het Overleg te slepen. Ik wil huilen, ik wil het overduidelijke gevoel van ellende over mijn lichaam laten lopen en laten zitten als plakkerige siroop. Maar ik doe het niet – in tegendeel, ik laat mijn gevoelens zitten, slik ze weg en doe de deur open. Sommige mensen kijken op, andere zijn te bezig met hun werk dat ze niet eens merken dat een ‘vreemdeling’ binnen is gekomen. Wouter ziet me echter wel, hij zwaait een beetje zenuwachtig naar me, maar ik zwaai niet terug – ik glimlach niet eens. Ik loop direct op Gerco af, waardoor Wouter ook meteen opstaat. Ik wil niet dat hij weet wat ik heb gedaan, maar ik denk niet dat ik een keuze heb.

‘Sam, wat kan ik voor je doen?’ vraagt Gerco. Ik probeer een woord uit mijn keel te krijgen, maar geen geluid weet zich in mijn stembanden te vinden. Ik word verstikt door informatie die ik niet in me wil hebben en plots besef ik me dat ik dit allemaal niet hoor te doen. Ik hoor op een bank te zitten, met een afstandsbediening en een dure telefoon en een kop thee, met mijn vriendinnen zeiken over een jongen. Ik hoor naar feestjes te gaan, naar de stad te gaan, met vrienden af te spreken. Ik hoor niet te moeten vechten, met zorgen te moeten leven – ik moet een kind zijn, maar dat is me ontnomen.

‘Gerco, Benjamin – ik –’ Wouter komt bij ons staan en laat me stotteren ‘- hij – ik… hij dacht dat ik een spion van het Bestuur was.’ Ik duw mijn nagels in mijn handpalmen. ‘Hij probeerde me te doden.’ Wouter pakt mijn linkerhand vast en ik kijk naar mijn oudere broer op. Eigenlijk heb ik gewoon een knuffel nodig, maar dat is zo kinderachtig dat ik er niet om durf te vragen. Het Overleg is stil en je kan een naald horen vallen. ‘Ik heb hem in zijn been moeten schieten.’ Ik knijp in Wouters hand. Gerco knikt kort, maar hij zegt niets en de stilte verstikt me. Ik laat mijn hand uit die van Wouter glijden en knik naar Gerco – daarna ren ik de gang op.

Ik weet niet waar mijn benen me brengen, ik heb geen bepaalde plek in gedachten. Het moet dus wel een keuze van mijn onderbewuste zijn om me naar de Soldaten te brengen. Ik wil niets meer voelen, ik wil een van de pillen nemen en gewoon alles vergeten. Ik wil slapen, gaan liggen in een bed en wegreizen naar een andere wereld, een wereld waar vrede niet alleen wat naïefs is, maar een werkelijkheid kan zijn. Onopgemerkt duw ik de deur open en loop ik de trainingszaal binnen. Ik zie niets, ik wil niets zien. Ik weet niet hoe ik eruit zie, of ik aan het huilen ben of ik er normaal uitzie. Ares is er al eerder dan ik kan voorstellen, zijn armen liggen om mijn rug. Ik duw mijn gezicht diep in zijn shirt, laat me verdrinken door zijn geur. Ik had nooit gedacht dat zijn armen zo beschermend om mijn tengere lichaam zouden kunnen liggen, dat hij me zo zou kunnen beschermen.

‘Kom,’ zegt hij fluisterend en hij draagt of sleept me naar de deur. Ik weet niet waar we naartoe gaan, maar het maakt me ook vrij weinig uit. De verwarrende gevoelens die ik normaal zou voelen, wegen niet op tegen die die ik nu door mijn lichaam laat lopen. Ik zou wensen dat er een knop op mijn lichaam zat waarmee ik alles uit zou kunnen zetten. Ik wil namelijk sterk zijn – of op zijn minst lijken. Ik haat het om zwak te zijn. Uiteindelijk lopen we naar een trap waarvan ik het bestaan ben vergeten. Ik weet niet waar in de Titaan we zijn, waar we bij in de buurt zijn of wat ik nodig heb. Ik weet niets en die onwetendheid is op het moment licht gewenst. ‘Wat is er gebeurd?’ vraagt Ares en hij neemt mijn handen in die van hem. Met overduidelijke snikken vertel ik hem wat er met Ben is gebeurd. Mijn lichaam begint steeds lichter te voelen, terwijl de woorden uit mijn mond glijden, alsof ik langzaamaan de lucht in vlieg en in de wolken ga leven. De plek waar ik wil zijn, veilig, naïef, een plek waar ik een normaal leven kan leiden, een kind kan zijn, met ouders die haar als meer dan een robot willen gebruiken.

‘Hij – hij wilde me doden Ares. Hij is nooit mijn echte vriend geweest. Hij heeft altijd gedacht dat ik een of andere spion van het Bestuur was.’ Mijn stem maakt gênante schokjes en de enige warmte in mijn lichaam komt door de warmte die Ares me schenkt. ‘Het ergste is: ik weet zelf niet eens of ik wel mezelf ben – of iemand een chip in me heeft gespoten en me nu bepaalde gedachtes geeft. Ik weet niet wat er zou gebeuren als dat waar is.’

Ares knijpt in mijn handen. ‘Ben is verleden – misschien komt hij nog terug, maar als dat zo is, dan beloof ik je dat ik hem neerknal. En over de chip, als dat zo is, dan zouden wij hier toch niet zitten. Ze zouden het nooit zo ver laten komen, dan hadden ze jou al lang ons allemaal laten vernietigen. Ik zou nooit bevriend met je zijn geworden…’ Er valt een stilte. Ik weet niet of ik hem moet geloven, of de kostbare woorden die hij zonder besef van de waarde in de lucht hangt waar zijn. We blijven in een stilte zitten, beiden niet wetend wat we moeten doen, er is geen woordwisseling, geen beweging – we zitten gewoon. Ik weet niet waarom, maar ik vind het een prettig gevoel om zo dicht bij Ares te zijn. Het geeft me een zenuwachtig gevoel dat ik niet herken. Het zijn zenuwen en een soort vertrouwen – een vertrouwen dat ik wantrouw, want ik wil niet aan mensen gehecht raken. Mijn logica is dat alles waar je gehecht aan raakt, je verliest – zeker in mijn situatie.

‘Wat zou er gebeuren als hij terugkomt, denk je?’ vraag ik. Ik hoor mijn stem teruggalmen in de kille gang, die door onze gevoelens en woorden wordt beplakt met herinneringen. Ik hoor mijn stem, maar ik wil de woorden niet herkennen, ik wil de stem kunnen terugsturen, nooit gehoord hebben hoe gebroken ik klink. Ares denkt lang na, misschien wel bijna te lang. Ik weet niet of ik het antwoord wil weten.

‘Ik weet het niet,’ zegt Ares eerlijk. Dan lacht hij schamper. ‘Jij moet dit eigenlijk beter weten dan ik. Ik hoop dat ze hem niet vermoorden.’ Zijn woorden verassen me. Met zijn karakter en tevens naam zou ik denken dat hij hem meteen zou vermoorden, maar misschien heeft hij er betere reden voor. ‘Misschien dezelfde reden waarom jij hem niet hebt vermoord, maar ik denk hem niet. Ik wil hem zien leiden en het leven is een ergere straf dan de dood, lijkt mij.’  

‘Zo heb ik er nog nooit over nagedacht.’ Ik heb Ben daarom niet laten leven, of misschien ook wel. Ik heb hem in eerste instantie laten leven omdat ik van hem hou, omdat ik altijd van hem zal blijven houden – op een broedermanier. Ik heb hem altijd gezien als mijn broer en hij zal dat blijven, wat hij ook doet en wat hij ook gedaan heeft. Ik weet niet of ik hem ooit nog kan vergeven, maar ik zal het hem ook nooit helemaal kwalijk kunnen nemen.

‘Wat denk je?’ vraagt Ares en ik kijk geschrokken op. Ik kan me niet herinneren dat iemand ooit rechtstreeks naar mijn gedachten heeft gevraagd en ik word er direct bang door, wat duidelijk onzin is.

‘Ik voel me schuldig.’ Het is dat ik het nu pas besef, ik voel me schuldig vanaf beide kanten. ‘Ik voel me schuldig omdat ik hem achter heb gelaten, terwijl hij mijn vriend is – was. Ook voel ik me schuldig omdat ik hem het nooit volledig kwalijk zal nemen en daarmee iedereen zal verbazen. Als laatste voel ik me schuldig voor mezelf – dat is heel egoïstisch, ik weet het – maar ik voel me schuldig omdat ik nooit een kind heb kunnen zijn en dat tevens mijn eigen schuld is.’

‘God, Sam, wat denk jij veel,’ fluistert Ares en hij aait met zijn vingers over zijn wang. Dan doe ik iets wat ik nooit van mezelf zou verwachten, ik pak zijn hand stevig vast en schuif dichter naar hem toe. Ares kijkt verrast op, maar ik weet dat hij het verwacht had. Hij pakt me bij me zij en trekt me nog dichter bij, alsof dat kan. Ik giechel stom en laat mijn hand door zijn haar gaan. Ares lijkt zich niet meer kunnen stoppen en snelt zich naar mijn gezicht. Voordat ik het weet, duwt hij zijn lippen op die van mij.

VirusLees dit verhaal GRATIS!