9

454 40 4

[EN]: This chapter is dedicated to xxgothicgirlxx, who made the cover I put in 'media' 

Twee weken, zo lang duurt het nog tot er enige verandering komt. Men blijft aan het werk, veel vooruitgang is er niet. Natuurlijk valt ons de inspecteurs wel op en in het begin heb ik me er ontiegelijk veel aan geërgerd, maar op een gegeven moment, ik weet niet meer wanneer, zijn ze een deel van het dagelijks leven geworden. Men wordt eindelijk werkelijk goed in hun baan – zij het de nieuwe gedeelten. Het hacken gaat sneller, vluchtiger en misschien ook wel sluwer. Hierdoor komen we aan veel informatie over het Bestuur, de ziektes, het dagelijks leven en heel soms zit er iets amuserend bij, als een geheime relatie. Dat maakt de bevolking nog wel eens aan het lachen, want die mails zijn echt belachelijk. We boeken vooruitgang met het Trainen van de Soldaten. Persoonlijke favorieten zijn op het gebied van ‘wapens’ al gekozen en nu proberen de Trainers en de Soldaten elkaar daarmee mee te trainen. Het Jagen gaat zoals gewoonlijk, al nemen we nu steeds meer producten naar wens mee. Er moet wat amusement in het dagelijks leven komen, want zo rooskleurend ziet de toekomst er niet uit. Ben is onuitstaanbaar – hij praat niet met me en trekt vooral zijn eigen plan. Ik weet niet wat hij van me verwacht, of hij verwacht dat ik als een hondje achter hem aan ga lopen of dat ik wanhopig probeer met hem te praten.

Met het Jagen focussen we ons nu meteen op het astronautenvoedsel. Natuurlijk proberen we wel voorzichtig te blijven, we moeten het nu niet aan het einde gaan afraffelen. Verder nemen we belangrijke producten mee, zoals laptops, of nieuwe wapens. Dit is zoals gewoonlijk gevaarlijker en we moeten dan ook zeer goed uitkijken als we ons bij zulke magazijnen bevinden, maar er is geen andere keuze. De bevolking heeft de producten werkelijk nodig voor de opstand en dat is waar de Titaan zich nu vooral op focust.

Ik sta mijn tas vol te laden met astronautenvoedsel in een stad die verder ligt dan normaal. Men probeert mij lichamelijk in orde te houden, wat ik gewend ben, want mijn lichaam kan nog raar gaan reageren op de ziektes die me ingespoten zullen worden. Ben staat vijf schappen verderop. Ik besef me nu pas dat hij doet alsof ik de ziekte al binnen heb, want praten doet hij niet en dicht bij me staan vertikt hij. Ik mis de oude vertrouwde dagen waarin we alles tegen elkaar kwijt konden, waarin we nog ‘broer en zus’ konden spelen, doen alsof het Bestuur ons niet zou raken. Want dat doet het, alsof het Bestuur een stenen muur is, waar ik keihard tegenaan loop. Ik vul mijn tas totdat de plank voor de helft leeg is – je kan niet zien dat hij geleegd is, want als ik er nog meer af zou halen, zou dat wel gebeuren. Snel doe ik de tas dicht en schuif ik de banden over mijn schouders. Ik loop naar de deur en wacht op Ben, die ruim de tijd neemt om zijn spullen te pakken. Na een tijdje – misschien wel vijf minuten, zo goed ben ik niet met tijd – pak ik mijn pistool uit zijn holster en hou ik het voor me uit. Misschien is er iets aan de hand.

‘Ben?’ vraag ik onheilspellend. Mijn handen trillen en dat is onhandig aangezien ik een wapen in mijn handen heb. Met grote stappen die langzaam neem, loop ik de kant op die Ben heeft genomen. Het enige geluid dat ik hoor is mijn eigen adem en mijn stappen. Ben lijkt in het niets zijn opgegaan, want ik weet niet meer waar hij is. Dan gaat plots het licht in het magazijn uit en ben ik omhuld door duister. Ik sta stil en hoor plots het geluid van andere voetstappen. Ook hoor ik een klik, die me informeert dat een pistool wordt geladen. Ik ben bang, maar ik weet dat we beiden in dezelfde situatie zitten. Het is donker, we hebben geen zicht. Misschien weet de persoon – of het Ben is weet ik niet – wel waar ik zit, of waar andere dingen zitten, maar ik ken dit magazijn net zo goed op mijn duimpje.

Ik loop naar achteren, ik weet namelijk dat tegen mijn rug een kast staat. Hoe dichter ik tegen meubels staan die men kent, ben ik onzichtbaarder. Ik sluip dichter naar het hoekje aan, maar ik ga er niet in zitten, want dat is ‘logisch’. De voetstappen galmen in de ruimte, ik hoor een gniffel die me kippenvel geeft, maar ik maak geen geluid. Ik wil schreeuwen, vragen wie daar is, of het Ben is, maar ik doe het niet, daarmee zou ik alleen mezelf verraden. Ik voel al een soort verraad door mijn lichaam glijden, alsof ik in brand sta. Mijn handen klemmen zich zweterig om het pistool, alsof het een anker is dat me op de juiste plaats laat blijven. Ik weet dat de voetstappen nu rond de kasten om me heen cirkelen, op zoek naar een teken van leven. Geluidloos haal ik een trillende hand van het pistool af en leg ik het tegen mijn mond, zo hoort men mijn ademhaling nog minder.

VirusLees dit verhaal GRATIS!